maandag 13 juni 2011

Griekenland is niet gebaat bij verhoging schuldenlast

Complimenten voor Europarlementariër Peter van Dalen en kersvers Tweede Kamerlid Carola Schouten voor hun gedurfde standpunt inzake Griekenland. Geen extra lening bovenop de 110 miljard die we al aan Griekenland hebben geleend, maar kiezen voor herstructurering en sanering van de schulden.
We hebben al eerder gezien bij economieën in Azië en Afrika hoe negatief extra leningen kunnen uitwerken voor de economische groei. Hoe groter de schuldenlast van een land, hoe trager het economisch herstel. Maar wij zullen ons geld alleen terugzien, als de economie in Griekenland weer gaat groeien. Daarom moet alles worden ingezet op economische groei van Griekenland en niet zozeer op het beschermen van investeerders die risico’s verkeerd hebben ingeschat.
Het lenen aan overheden is niet altijd veilig en dat mogen de kopers van obligaties best voelen in hun portemonnee. Sommige overheden zijn zeer risicovol in hun financiële beleid. Dat kan leiden tot hogere rentes, maar mag ook best leiden tot het afboeken of herstructurering van schulden. Je doet aan marktverstoring als je onverantwoordelijke overheden een hand boven het hoofd houdt en investeerders niet wil laten opdraaien voor hun foute keuzes.
Wie zal dit voelen als Griekenland niet meer al zijn schulden kan betalen? Dat zijn vooral een aantal banken in Frankrijk en Duitsland. Als Portugal en Spanje dezelfde weg inslaan, zullen ook Nederlandse banken dit merken. Logisch dat Nout Wellink als president van de Nederlandse Bank dit scenario niet ziet zitten.  Ook de Europese Bank wil liever geen schulden kwijtschelden, omdat ze zelf 45 miljard euro aan Griekse obligaties heeft gekocht. Deze machtige politieke lobby's vertegenwoordigen de belangen van de banken en de financiele sector.
Als banken te weinig geld hebben en omvallen of weigeren hun geld uit te lenen, kan er opnieuw een kleine recessie ontstaan (waarbij spaarders overigens meer rente krijgen). Ook de pensioenfondsen zullen als grote investeerders opnieuw verliezen leiden als zij deze obligaties hebben gekocht. Maar als wij Griekenland (en later wellicht Portugal en Spanje) voorzien van extra leningen (die niet terugbetaald worden), betalen alle belastingbetalers de prijs. Dan gaan de belastingen voor ons allemaal omhoog. Dan laat je dus de belastingbetalers opdraaien voor de foute keuzes van investeerders, die te risicovolle obligaties hebben gekocht. Politici, denk erom: wij vertegenwoordigen de belangen van de burgers!
Griekenland kan vast meer doen om te bezuinigen. Maar bezuinigen lukt in democratieën soms niet zo snel als andere overheden wensen. Je ziet nu al overal rellen en opstandjes in Griekenland. Het volk kan de politiek en de economie lam leggen door zich heftig tegen de bezuinigingen te verzetten. Of een politiek leider kiezen, die zich als demagoog verzet tegen Europa. 
Luister daarom naar de vele economen die pleiten voor herstructurering van de schulden. Dit kan zo goed worden afgestemd op de behoefte van Griekenland en de gevolgen voor Europa, dat het de moeite van serieus onderzoek waard is.
En ChristenUnie vertegenwoordigers: ga door op de ingeslagen weg!

woensdag 6 april 2011

Prestatiebeloning voor leraren

Een controversieel voorstel van de Onderwijsraad: de vijf procent beste leraren van elke school belonen met extra studietijd en een bonus. Dit voorstel komt niet uit de lucht vallen. De wens om een prestatiebeloning in te voeren staat in de verkiezingsprogramma’s van zeven politieke partijen (inclusief de ChristenUnie) en in het regeerakkoord. Zelf stond ik er ook achter, toen ik voor mijn partij meeschreef aan het verkiezingsprogramma. Bijkomend voordeel was dat we met de maatregel extra punten kregen bij de doorrekening van het programma door het Centraal Planbureau.
Maar ik heb inmiddels wel mijn vragen over de effectiviteit van deze voorstellen.

Het is duidelijk dat het onderwijs geplaagd wordt door een groeiend tekort aan gemotiveerde leraren, waardoor de leerprestaties van leerlingen onder druk staan. Met een prestatiebeloning hopen de voorstanders leerkrachten te werven, te motiveren en de onderwijskwaliteit te verbeteren. In Amerika ontstond net zo’n hausse. Gestimuleerd door de overheid, voerden allerlei onderwijsinstellingen prestatiebeloningen in. Er werd flink geëxperimenteerd, maar niet altijd goed gemeten. Daardoor leken sommige instellingen heel goede resultaten te boeken, terwijl andere instellingen te maken kregen met toegenomen chaos en jaloezie.

De resultaten van een evaluatie naar twee jaar prestatiebeloning in Chicago in juli 2010 in Mathematica Policy Review waren daarom voor veel mensen teleurstellend: geen heldere resultaten, geen onweerlegbaar bewijs dat de prestatiebeloning werkt.  Bovendien heeft iedereen een andere definitie van goede prestaties. Is dat het stimuleren van kennisoverdracht, leerrendement of sociaal-emotionele ontwikkeling? En hoe meet je dat?

Ook in Nederland zijn veel leerkrachten niet te spreken over het invoeren van een prestatiebeloning. Zij wijzen op het belang van een hecht team en willen het geld soms liever gebruiken om te investeren in hoger opgeleide leerkrachten.

Toch zullen we iets moeten doen aan de huidige situatie in onderwijsland. Er zijn veel gemotiveerde leerkrachten die uitstekende resultaten boeken met hun leerlingen. Maar hun prestaties worden niet erkend. Er is weinig carrièreperspectief, want de meeste leerkrachten willen liever voor de klas staan dan in managementfuncties opgezadeld worden met administratieve taken. Er is ook veel teleurstelling bij beginners. Als je net voor de klas staat, krijg je niet altijd de begeleiding die je nodig hebt om een goede en vruchtbare relatie te kunnen opbouwen met je klas. Aan kennisoverdracht kun je pas toekomen nadat je orde hebt geschapen. En bovendien wordt het onderwijzend personeel telkens weer geconfronteerd met vernieuwingen en extra maatschappelijke taken. Je zou er moe van worden.

Het is ook duidelijk dat niet alle leraren even goed zijn. In Amerika kunnen ouders en leerlingen hun leraren beoordelen op website als  www.ratemyteachers.com. Heel instructief voor ouders, maar niet prettig voor het onderwijzend personeel. Toch kunnen we onze ogen niet voor sluiten voor de problemen, want onze kinderen worden benadeeld door slecht onderwijs. Zo’n website kan dus wel een stok achter de deur zijn voor sommige directies of besturen om de onderwijskwaliteit op school te verbeteren. Nu moeten veel leraren het zelf maar uitzoeken en is er nauwelijks supervisie of begeleiding. Het is beter om uitstekende leerkrachten te laten functioneren als coach voor leerkrachten die moeite hebben voor de klas. Voor zulke taken dienen zij extra beloond te worden. Daarnaast is het soms noodzakelijk om van niet-functionerende leraren af te komen.

Goede voorstellen staan ook al in het Convenant Leerkracht, voortgekomen uit het rapport LeerKracht! Van de Commissie Toekomst Leraarschap, waarin gepleit wordt voor meer salarisschalen, gekoppeld aan het opleidingsniveau. Maar een goede opleiding is geen garantie voor effectieve kennisoverdracht en een prettige sfeer in de klas. Daarom sluit ik me liever aan bij de suggestie van Robert Sikkes, hoofdredacteur van Het Onderwijsblad, in zijn artikel ‘Prestatieprikkels onderwijs vragen om Dutch approach’: “Het maximumsalaris wordt per schaal op jongere leeftijd bereikt. Geen bonussen, maar echte carrièrestappen met sollicitaties, beoordeling en doorstroom naar een hogere schaal op basis van ervaring, opleiding en prestaties. Heldere afspraken over het percentage leraren dat kan doorstromen, zodat het geld niet onbenut blijft of weglekt naar functies buiten de klas.”

Het zou goed zijn als de directie en het bestuur van scholen zelf mogen bepalen hoe zij het extra geld, dat nu beschikbaar komt voor prestatiebeloningen, inzetten om de kwaliteit van het lesgeven te verhogen. Ouders moeten dan wel controleren of de directie dit geld goed besteedt en het niet in eigen zak stopt. Ik hoop dat bestuurders dan ook vaker in de klas zullen meekijken. Als politici en vakbonden zorgen voor extra salarisschalen voor onderwijzend personeel, kunnen de onderwijsbestuurders goede prestaties beter belonen.

Deze column is ook verschenen op http://www.opunie.nl/

vrijdag 11 maart 2011

Hogere boetes bij fraude met uitkeringen dom idee

Wat een vreemd voorstel van Minister Henk Kamp van Sociale Zaken om de boetes voor uitkeringsfraude te vertienvoudigen en mensen hun uitkering af te pakken. Heeft iemand doorgerekend wat de gevolgen zullen zijn? Ik voorspel een toename van huisuitzettingen en huiselijk geweld bij weduwen/weduwnaars, alleenstaande ouders en immigranten die de Nederlandse taal nog niet perfect beheersen. En de kinderen in die huishoudens zullen grotere problemen krijgen op school en op straat. Dat zal de samenleving meer kosten dan het oplevert. Bovendien kunnen gemeenten best zelf bepalen wie straf verdient en wie niet.
Ik kan dit illustreren met een concreet voorbeeld. Gistermiddag mocht ik weer als vrijwilliger aan de slag bij het Belastingproject van Stadsring 51 – de instelling voor schuldhulpverlening in Amersfoort. Ik heb nu zorg en welzijn in mijn portefeuille en heb al mijn vrijwilligerswerk in die sector opgezegd (en vervangen door sportbestuurswerk), maar van dit project kon ik geen afscheid nemen. Daar kwam een vrouw van 60 jaar. Haar man had zijn hele leven gewerkt, maar was twee jaar geleden overleden. Rond zijn ziekbed kregen ze een uitkering en na zijn sterven kreeg ze nabestaandenpensioen van 100 euro per maand. Haar Nederlands is goed genoeg voor dagelijkse conversaties, maar onvoldoende om de inhoud van de ambtelijke taal in de brieven van de Belastingdienst en de Sociale Dienst te begrijpen. Ze had de wijzigingen na het overlijden van haar man niet op de juiste manier doorgegeven (haar uitkering van 850 euro moest worden verminderd met haar nabestaandenpensioen) en kreeg een naheffing wegens ‘fraude’ van 3000 euro. Nu moet ze elke maand 100 euro terugbetalen, waardoor ze (na aftrek van huur, gas/elektriciteit en ziektekostenverzekering slechts 175 euro per maand krijgt voor alle overige kosten. En zo zal ze nog 30 maanden moeten leven.
Volgens minister Kamp zou ze drie maanden geen bijstand meer krijgen en 6000 euro terug moeten betalen (60 maanden op 40 euro leefgeld per week). Drie maanden zonder bijstand betekent een huurachterstand (dreigende huisuitzetting), een achterstand in ziektekostenverzekering (die ook grote boetes rekenen), achterstand met gas/electriciteit (dreigende afsluiting) en geen mogelijkheid om die extra schulden af te lossen. Enige oplossing: intrekken bij iemand die wel voldoende inkomen heeft. En dat is de oplossing die ik vaak in Amerika ben tegengekomen, in de Blijf-van-mijn-lijf huizen waar ik werkte. Vrouwen moesten daar soms kiezen tussen het leven op straat of het leven bij een wellicht gewelddadige man. Alleenstaande  moeders kozen vaak voor de gewelddadige man. Als hij maar met zijn handen van hun kinderen afbleef, waren ze bereid zelf enige klappen te incasseren in ruil voor huisvesting. Maar die kinderen groeien op met het idee dat geweld normaal is.
Minster Kamp zegt  dat dit de enige manier is om de solidariteit in de samenleving te behouden, omdat fraudeurs de bijl zetten aan de wortels van de sociale zekerheid. Ik wil hem vragen om eens te praten met deze zogenaamde ‘ fraudeurs’ . Daarnaast moet hij met de ogen van de minima de brieven lezen die zij ontvangen van de Belastingdienst en de Sociale Dienst. Ons sociale zekerheidsstelsel is zo complex, je kunt niet van de ontvangers verwachten dat ze alles begrijpen. Maar dat betekent ook dat wij hen niet zomaar kunnen straffen.
Minister Kamp en Tweede Kamer: Laat dit alstublieft over aan de gemeenten zelf. Zij kunnen maatwerk leveren. Zij kunnen individuele gevallen beter beoordelen dan u. Zij kunnen bepalen wie straf verdient en wie niet. Bovendien betalen de gemeenten de bijstandsuitkering. Het is hun geld, gun hen die verantwoordelijkheid.

donderdag 3 maart 2011

Christelijke partijen gehalveerd

De uitslag van de provinciale statenverkiezingen is teleurstellend voor de christelijke politiek. De ChristenUnie lijkt in veel provincies gehalveerd, ook in Utrecht, evenals in de Eerste Kamer. Naar verwachting zal ik dus ook niet in de Eerste Kamer komen, hoewel ik op een verkiesbare derde plek stond.  
Nadat we onze kinderen in bed hadden gestopt, togen mijn man en ik gisteravond vol goede moed naar het Binnenhof om daar de uitslag van de verkiezingen af te wachten. We zaten in een zaal in het gebouw van de Eerste Kamer samen met de SGP, de 50+-partij en de Partij voor de Dieren. Een gezellige boel. Het was leuk om weer even bij te praten. Elke uitslag was verrassend voor de aanwezige partijen. De ene keer stokte onze adem en de andere keer haalden we opgelucht adem. Maar toen wij ver na middernacht vertrokken, was de stemming ietwat bedrukt.
Ik heb altijd geleefd met de verwachting dat de uitslag kon tegenvallen, maar het is toch schokkend om dit nu mee te maken. Wat is er gebeurd? Ik kan een aantal redenen bedenken:
·         Kiezers werden uitgedaagd om voor of tegen de coalitie te stemmen en neigden dus naar partijen met een uitgesproken karakter. Zo werd het land verdeeld in een links en een rechts blok. De ChristenUnie wilde juist een sleutelpositie innemen.
·         De ChristenUnie heeft een steeds groter aandeel zwevende kiezers, die wij in gunstige tijden verwerven (TK 2006 en PS 2007), maar in een andere politieke constellatie ook zo weer kwijt zijn.
·         Veel christenen zijn minder geneigd om op partijen te stemmen met een uitgesproken christelijk karakter en laten zich meer leiden door de standpunten op een beperkt aantal thema’s die voor hen belangrijk zijn. Andere christenen hebben juist het uitgesproken christelijk profiel van onze partij gemist na onze regeringsdeelname.
·         Het lijkt erop dat kiezers die zich zorgen maken over het behoud van onze joods-christelijke identiteit, meer vertrouwen op de PVV dan op de christelijke partijen (want christelijke partijen kunnen door hun nadruk op naastenliefde besluiten tot een generaal pardon of andere vormen van gastvrijheid jegens vluchtelingen en asielzoekers).
Toch zie ik de toekomst niet somber in. Dit kabinet zal waarschijnlijk met steun van de SGP en Jan Nagel van de 50+-partij de voorstellen uit het regeerakkoord door de Eerste Kamer kunnen krijgen, zonder te hoeven onderhandelen met de andere partijen. En dit zijn vooral bezuinigingsvoorstellen. Het zal de kiezers dus snel duidelijk worden waar dit kabinet voor staat. En dat betekent dat wij ons goed kunnen profileren. En daar is ook behoefte aan. 
Voor mijzelf betekent dit dat ik mijn termijn in de gemeenteraad als fractievoorzitter van de ChristenUnie mag afmaken. En  daar heb ik veel zin in. Ik realiseerde mij de laatste weken dat ik veel raadsvoorstellen niet tot het einde zou kunnen meemaken en dat speet me enorm. Ik wil nog zo graag bezig met de Woonvisie, met het museumbeleid, met onderwijsbeleid, etc. En ik had geen zin in afscheid nemen van mijn geliefde collega’s en fractiegenoten. Dat ik nu gewoon bezig mag blijven in mijn eigen stad is ook een heerlijk gevoel.
Ik vind het vooral spijtig dat de leuke titel ‘senator Kennedy’ niet langer zal worden gebruikt en dat Kees de Heer uit Amersfoort geen Statenlid zal worden in Utrecht. Wel ben ik trots op de hoge opkomst in mijn provincie Utrecht: 61,7%! Het was een enerverende campagne die zich mocht verheugen in grote publieke belangstelling en bekroond werd met een hoge opkomst. Ik ben blij dat ik hieraan mijn steentje mocht bijdragen. Ik heb genoten van de debatten en het contact met de  kiezers. God regeert en Hij heeft het zo beschikt. We leggen de toekomst in Zijn handen en gaan vol goede moed verder op de weg die Hij ons wijst.

maandag 17 januari 2011

Politietrainingsmissie naar Afghanistan

In de toiletruimte beneden hangt bij ons een krantenknipsel aan de muur, een ingezonden uit ik@nrc.nl door Jaco Berveling. Het hangt er al vele jaren en gaat nog over de beslissing van president Bush om Afghanistan en Irak binnen te vallen. Berveling vertelt over zijn bezoek aan een natuurpark in Alaska:
“Tijdens een excursie vertelt een ranger ons alles over het symbool van Amerika: de adelaar. Het beest heeft een enorm gezichtsvermogen, vertelt hij. Een adelaar kan bij wijze van spreken op dertig meter afstand nog een krant lezen. Door dat sterk ontwikkelde gezichtsvermogen is er in zijn kop maar nauwelijks plaats voor hersenen. Dan glimlacht de ranger. Hij zegt: “Great vision and no brains, is dat geen prachtig symbool voor een natie?”
Wij mogen halve Amerikanen zijn, maar hebben altijd grote moeite gehad met de visie van president Bush. Het is logisch dat je je land wilt beschermen tegen terroristische aanslagen en dat je deze netwerken en opleidingskampen wilt ontmantelen of vernietigen. Maar je moet je strategie wel eerst goed bepalen. Want een strijd tegen losjes georganiseerde terroristen in landen zonder heldere gezagsstructuren is moeilijk te winnen.
Het is goed dat Saddam Hoessein weg is, maar Amerika wilde de troepen pas terugtrekken als ze deze landen konden achterlaten als veilige, democratische staten. Zo zouden ook de zegeningen van democratie en marktkapitalisme zich kunnen verspreiden in het Midden-Oosten. Dit bevordert de politieke stabiliteit in dat deel van de wereld en daarmee de economische mogelijkheden (en vergroot de afzetmarkt).
Kan een democratie opgelegd worden? Een democratie kan alleen goed werken als deze regeervorm gedragen wordt door de bevolking. Na de euforie over de vlucht en arrestatie van Saddam Hoessein, ging het snel mis. De bevolking zag hoe de wereldmacht bleef en met veel militair vertoon terroristische netwerken probeerde op te rollen en de Taliban bestrijden, waarbij ook vaak burgerslachtoffers vielen. Hun geestelijke leiders wezen hen op de immoraliteit van de Amerikaanse cultuur (die de bevolking kende uit films). Zij zagen hoe Amerika een corrupte leider de hand boven het hoofd hield (Hamid Karzai). Hoe kunnen zij dan waardering opbrengen voor dit ingrijpen? Hoe kun je voorkomen dat de aanwezigheid van buitenlanders gezien wordt als een bezetting?
Nederland kon de afgelopen jaren prachtig laten zien dat het ook anders kon. De Nederlandse nadruk op de 3 D’s (defence, development en diplomacy) dwong bewondering af in heel de wereld. Jammer genoeg gaf Obama daar zijn eigen draai aan door in 2009 te pleiten voor de 3D’s "disrupt, dismantle and defeat Al Qaeda”. De Nederlandse militairen werkten aan het verbeteren van de veiligheid, gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur en hebben ook goede resultaten behaald. Maar de uitzending kon niet gecontinueerd worden; het kabinet viel erover.
Wij moeten ons in de beslissing over de politietrainingsmissie naar Afghanistan niet laten leiden door de wensen van Amerika, maar onze eigen afwegingen maken. Wat zijn onze doelstellingen? Hoe voorkom je dat je politiemensen opleidt die vervolgens gaan werken voor de Taliban? En nog belangrijker: hoe kun je een nationale politiemacht opleiden voor een land zonder sterke nationale structuren? Hoe kun je een bevolking helpen, als je nooit meer dan een paar stammen achter je ideeen kan scharen, die jouw hulp liever gebruiken om hun interne conflicten uit te vechten, dan te werken aan een nationale democratie?
En dat brengt mij tot mijn laatste punt. Wat is deze uitzending? Een militaire missie of ontwikkelingswerk? Dit onderscheid kan Afghanistan natuurlijk moeiljk gemaakt worden. Maar als wij deze uitzending bestempelen als ontwikkelingswerk, moet het ook voldoen aan dezelfde regels als andere ontwikkelingsprojecten. En volgens mij hanteren wij in Nederland de regel dat de overheid geen ontwikkelingswerk doet in instabiele landen.
Het is dus zaak om niet te snel te beslissen en in goed overleg met de G20, de lokale bevolking, particuliere hulporganisaties en bedrijven de juiste doelstellingen te benoemen, de goede strategie te kiezen en in dit alles onze EIGEN afwegingen te maken. Want het gaat wel om mensenlevens.

maandag 10 januari 2011

Decentralisatie: kan meer maatwerk samengaan met bezuinigingen?

Het Rijk wil decentraliseren en taken afstoten. En kleine gemeenten moeten zich steeds vaker aansluiten bij grotere buren om de bestuurskracht te krijgen die nodig is om al die extra taken op te vangen. Christen-politici die zich willen laten inspireren door hun voorgangers, zullen sympathie hebben voor decentralisatie. Niet alleen het katholieke subsidiariteitsbeginsel (taken zoveel mogelijk door lager overheden laten uitvoeren), maar ook het gereformeerde soevereiniteit in eigen kring (de overheid staat niet boven andere levenskringen, zoals geloof, opvoeding, onderwijs en economie) benadrukten een beperkte rol voor de (centrale) overheid.
Het probleem is dat de overheid streeft naar decentralisatie vanuit twee doelstellingen die elkaar tegenwerken. Namelijk in eerste plaats de wens om meer maatwerk te leveren, vanuit de overtuiging dat de lokale overheid de burgers beter kent. En in de tweede plaats de wens om te bezuinigen op posten die uitdijen, vanuit de realisatie dat de verzorgingsstaat te groot en te duur is geworden. Maar dit gaat niet samen. Maatwerk leveren betekent dat elke burger apart beoordeeld wordt en dat ambtenaren verantwoording moeten afleggen van hun keuzes. Dat kost juist meer geld. Als het verschuiven van taken naar het gemeentelijk niveau gepaard gaat met een bezuiniging op het beschikbare budget, kan dit maatwerk dus niet geleverd worden zonder een flinke bezuiniging door te voeren op de diensten die worden geleverd.
De gemeente is nu al verantwoordelijk voor de bijstandsuitkeringen en de WMO, maar wordt waarschijnlijk ook nog verantwoordelijk voor de Wajong-uitkering en de AWBZ. In de gemeente Amersfoort merk ik dat sommigen liever een streep zetten door vormen van hulp en ondersteuning voor grote groepen uitkeringsgerechtigden dan maatwerk te leveren, omdat er anders geen bezuinigingen kunnen worden gerealiseerd.
Maar volgens mij misken je de kracht van de gemeente, als je generieke regels uitvoert en weigert maatwerk te leveren. Bovendien hebben veel professionals in dit veld een prima gezond verstand van God gekregen en mogen zij dat in de uitoefening van hun baan best meer gebruiken. De huidige plannen voor decentralisatie zullen dus een hard gelag zijn voor veel gemeenten. Ze kunnen niet ontkomen aan het snijden in de hulp en ondersteuning die nu worden verleend. Maar dit kan ook door maatwerk te leveren.
Elke burger die deels afhankelijk is van een uitkering die door de gemeente wordt betaald, heeft al een contactpersoon bij de gemeente. Als het goed is, heeft deze ambtenaar geregeld persoonlijk contact met zijn/haar cliënt. Dus kan de ambtenaar in dat contact prima bepalen op welk pakket aan ondersteuning de cliënt recht heeft. Dit pakket kan worden samengesteld uit ‘vouchers’ (idee van onze Sociale Dienst), die ingeleverd kunnen worden bij maatschappelijke instellingen die voldoen aan de gemeentelijke voorwaarden. Hoe moeilijker het is voor de uitkeringsgerechtigde om betaalde arbeid te verrichten, hoe meer vouchers.
Dit zou ook moeten gelden voor de burgers die ondersteuning krijgen vanuit de WMO of de AWBZ, waarbij de beoordeling van de pakketzwaarte alleen aan het begin van het proces noodzakelijk is indien de ziekte chronisch is of er sprake is van een permanente handicap. Je zou je hierbij kunnen voorstellen dat cliënten in staat worden gesteld om bij te betalen als zij duurdere zorg wensen dan de gemeente noodzakelijk acht.
De ambtenaar hoeft dan alleen te noteren welke vouchers zijn afgegeven en waarom. Deze gegevens worden ook bekend gemaakt aan de cliënt (zodat ze eventueel bezwaar kunnen aantekenen tegen deze beslissing). De maatschappelijk organisaties krijgen geld voor hun diensten als zij de vouchers inleveren bij de gemeente. In dit proces is geen beoordeling meer  nodig.
Deze maatschappelijke organisaties kunnen neutrale en professionele organisaties zijn, maar ook particuliere organisaties of levensbeschouwelijk organisaties, net als nu al het geval is bij het aanbod van thuiszorg via de WMO. De kwaliteit van de prestaties en de tevredenheid van de cliënten zullen daarin waarschijnlijk ook een rol spelen. Het is natuurlijk aan de gemeenteraad om te bepalen aan welke voorwaarden deze organisaties moeten voldoen om de vouchers te mogen ontvangen. De cliënten kunnen dan zelf kiezen  waar zij hun ondersteuning willen inkopen.
Dan kan over het totale budget bezuinigd worden. De diverse overheidsdiensten kunnen bepalen (in overleg met de professionals) hoeveel vouchers uitgegeven mogen worden om binnen dit budget te blijven. Hoewel ik voor maatwerk ben en de bezuinigingen met vrees en beven afwacht, hoop ik toch dat bezuinigingen op deze manier samen kunnen gaan met het leveren van meer maatwerk door ambtenaren en meer keuzevrijheid voor burgers.

zaterdag 8 januari 2011

Is afhankelijkheid een slechte zaak?

Gepubliceerd in Trouw 14-12-2010

Als je zelf niet in je eigen inkomen kunt voorzien, als je een groot deel van je leven opoffert aan de zorg voor een gehandicapt kind of als je als kostwinner je inkomen deelt met je niet-werkende partner, wordt je geregeld vermanend toegesproken als je ’s morgens de krant openslaat.

Is afhankelijkheid zo fout? Is zorgen voor elkaar verkeerd? Filosoof Marcel Zuijderland verdedigde begin december in Trouw het aborteren van gehandicapte kinderen; hij vindt het uiterst dubieus om ouders op te zadelen met een gehandicapt kind dat ze niet wensen en beschouwt het een verbetering als er minder gehandicapten komen. Bovendien vindt hij dat je geen morele verantwoordelijkheid hebt voor een invalide kind dat nog niet is geboren. Want we beschermen niet het leven zelf, maar onze autonomie, ons (zelf)bewustzijn en de kwaliteit van ons leven. Vanuit deze visie heeft een gehandicapt kind niet alleen zelf minder kwaliteit van leven, maar beperkt zo’n kind ook de autonomie en de bewegingsvrijheid van de ouders. En dat is blijkbaar een kwalijke zaak.

Ook het zorgen voor je partner is volgens veel opiniemakers geen goede zaak. Volgens columnist Elma Drayer is het beroerd gesteld met de financiële zelfredzaamheid van de vrouw. Getrouwde vrouwen die niet economisch zelfstandig zijn en in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, zijn volgens haar blijven steken in kinderlijke afhankelijkheid en behoren op te groeien tot ‘de volwassen wezens die ze allang zouden moeten zijn’, zoals ze begin december stelde in haar column in Trouw.

Zelfs de meerderheid van het parlement is ervan overtuigd dat inkomen niet gedeeld zou moeten worden met een niet-werkende partner en heeft de overdraagbare heffingskorting afschaft. Deze zogenaamde aanrechtsubsidie begon als belastingvrije som. Je hoefde pas belasting te betalen boven een bepaald inkomen. Zoals de econoom Cohen Stuart zei: "een brug heeft slechts draagkracht wanneer ze haar eigen gewicht kan dragen." Iemand moet eerst zichzelf kunnen onderhouden – en diegenen voor wie hij een zorgplicht heeft – voordat hij in staat is om mee te betalen aan het onderhoud van anderen via de belastingen. Vandaar dat je van het gezinsinkomen een bedrag mocht aftrekken voor jezelf en je partner. In 2001 werd deze belastingvrije som vervangen door de algemene heffingskorting en nu wordt de korting voor de afhankelijke partner afgebouwd. Inkomen behoort dus niet te worden gedeeld.

Is dat de samenleving die we voor ogen hebben? Een samenleving waar het draait om zelfontplooiing en autonomie, waar zorgbehoeftigen en zorgverleners – die zonder financiële compensatie hun tijd en inkomen delen ­– worden gezien als ‘loosers’? Waar gesprekken rond de keukentafel soms ontaarden in ruzie omdat partners een eerlijke taakverdeling eisen en niet meer voor elkaar wensen te zorgen? Liefde betekent toch dat je elkaar accepteert als kwetsbare mensen, dat je er voor elkaar bent in tijden van nood en ziekte, dat je bereid bent om voor elkaar te zorgen en met elkaar te delen? Wat een kille wereld gaan we binnen, als we alleen nog maar rechtvaardigheid eisen en de liefde verwaarlozen.

Ook mensen zonder hoge kwaliteit van leven zijn in staat om liefde te geven en te ontvangen. En er is meer in het leven dan betaalde arbeid. Hoewel opoffering niet altijd gemakkelijk is, geeft het zorgen voor elkaar soms meer vreugde dan gezondheid en de wetenschap financieel onafhankelijk te zijn. Wie zijn wij om daarover veroordelend te spreken?

Moet bijzonder onderwijs worden afgeschaft?

Gepubliceerd in november 2010 op http://www.opunie.nl/

Moet het bijzondere onderwijs als relict uit een verzuild tijdperk worden afgeschaft? Tijdens een ForumC debat hield prof. dr. Ewald Engelen een gloedvol betoog voor afschaffing. Want het verzuilingsmodel is achterhaald en leidt alleen maar tot groepssegregatie. Door uitgeholde verzuilde structuren overeind te houden, geven we ruimte aan moslims om hun eigen scholen en zuilen op te richten en wordt hun maatschappelijke en economische integratie steeds moeilijker te realiseren. Als liberaal wil hij geen rechten meer geven aan organisaties, maar alleen aan individuen. Omdat individuen alle ruimte moeten krijgen om hun eigen levensvisie te ontwikkelen, vindt Engelen dat alle scholen openbare scholen moeten zijn, waar kinderen niet gehersenspoeld worden, maar in vrijheid kunnen kiezen uit allerlei levensvisies. Hoe dit bereikt moet worden, weet hij niet. Hij stelt voor om het hele stelsel eerst maar eens op te blazen en dan af te wachten wat er zich vervolgens gaat ontwikkelen.

Het was een prikkelend betoog. Maar werkt dit in de praktijk? Krijgen mensen hierdoor meer vrijheid of worden zij juist in hun vrijheid bekneld? Hoewel Engelen vindt dat individuele rechten belangrijker zijn dan groepsrechten, blijkt uit elk onderzoek dat je alleen groepssegregatie kunt voorkomen door individuele keuzevrijheid in te perken. Als je ouders volledige keuzevrijheid geeft, kiezen ze vaak scholen voor hun kinderen die aansluiten bij hun levensovertuiging. Als je burgers hun ideale wijk laat ontwerpen, is er in die wijk vaak weinig plaats voor mensen die ‘anders’ zijn.

Het gaat daarom in de discussie over bijzondere scholen niet over groepsrechten. Het gaat om individuele keuzevrijheid van ouders. Mogen zij een school kiezen die past bij hun gezinscultuur of hun levensvisie? Of moeten zij hun kinderen verplicht sturen naar de openbare buurtschool. Die situatie heb ik persoonlijk meegemaakt in Amerika. Onze dochter ging daar ook naar de buurtschool, die voor 90% ‘zwart’ was. Daarom ontraadde de makelaar ons om een huis te kopen in die buurt: ‘Dat is een zwarte buurt! Je moet naar een witte buurt als je goed onderwijs wilt hebben voor je kinderen!’ Hoewel wij zijn advies in de wind sloegen, leidt dit systeem in Amerika dus tot meer segregatie in buurten.

Daarnaast heb je in Amerika nog steeds allerlei fundamentalistische scholen, gefinancierd door ouders die het kunnen betalen. En omdat de overheid deze scholen niet subsidieert, heeft ze er ook minder over te zeggen. In Nederland worden alle bijzondere scholen gecontroleerd door de inspectie en moeten zij ook aan inhoudelijke onderwijseisen voldoen.

Tenslotte kosten de openbare scholen de Amerikaanse overheid handen vol geld en blijft de kwaliteit onder de maat. Hoeveel geld je er ook tegenaan gooit, de resultaten blijven tegenvallen. De christelijke scholen leveren daarentegen veel beter onderwijs voor veel minder geld. Veel Amerikaanse staten hebben geleerd dat concurrentie het sleutelwoord is voor verbetering. Zodra de overheid ouders meer vrijheid geeft om te kiezen voor bijzondere scholen, heeft dit ook een positieve uitwerking op de onderwijskwaliteit aan openbare scholen.

We mogen daarom blij zijn met de vrijheid van onderwijs in Nederland. Dit heeft geleid tot goed onderwijs voor een lage prijs. Bovendien lijken kinderen te gedijen in een school met een sterke identiteit. Kinderen hebben sturing en een veilig nest nodig. Hoe multicultureler de school, hoe moeilijker om een goed leerrendement te krijgen. Dit komt waarschijnlijk niet alleen door taalachterstanden, maar ook door een gebrek aan gedeelde normen en waarden. Om dan toch nog goede resultaten te boeken, heb je naast gemotiveerde leerkrachten ook een inspirerend bestuur, voldoende ondersteunend personeel en een sterk besef van eigenwaarde en identiteit nodig.

Gesegregeerd onderwijs heeft zeker nadelen als kinderen daardoor niet durven te participeren in de wereld buiten hun eigen clubje. Daarom kan onderwijssegregatie in de grote steden misschien worden tegengegaan door allochtone ouders beter voor te lichten over het keuzeaanbod in hun stad (want hun kinderen gaan meestal naar de openbare buurtschool), door gemêleerde wijken te bouwen en door extra subsidie te geven aan de zwartere scholen, zodat zij meer buitenschoolse activiteiten, meer ondersteunend personeel en kleinere klassen kunnen bieden.


Belastingdienst oorzaak van veel schulden bij bijstandsmoeders

Gepubliceerd op 27 mei 2010 in Nederlands Dagblad

Als vrijwilliger bij zowel de voedselbank als de schuldhulpverlening in Amersfoort, kom ik veel alleenstaande  moeders (en soms vaders) tegen met flinke financiële problemen, die hun kinderen nauwelijks kunnen voeden en kleden wegens schulden bij de Belastingdienst. En als belastingconsulent komt ik veel bijstandsmoeders tegen die geen huurtoeslag of voorlopige teruggave durven aan te vragen omdat ze bang zijn dat ze die bedragen later weer terug moeten betalen.

Waarom boezemt de Belastingdienst onder ouders met een laag inkomen zoveel angst in? In de eerste plaats gaat er veel mis bij de toeslagen. Als je eenmaal huur- en zorgtoeslag hebt aangevraagd en je doet elk jaar aangifte van je inkomen bij de Belastingdienst, denk je snel dat alles goed geregeld is. Maar veel mensen weten niet dat het inkomen van het aangiftebiljet niet onmiddellijk doorgegeven wordt aan de toeslagendienst. Als je dus meer gaat verdienen, kan het een tijdje duren voordat de Belastingdienst doorheeft dat je toeslagen eigenlijk omlaag hadden moeten gaan (om het sneller door te geven kun je het met je DigID doorgeven via http://www.toeslagen.nl/). En dan krijg je ineens een brief van de Belastingdienst waarin staat dat je al lange tijd teveel toeslagen hebt ontvangen. Ineens heb je een schuld van duizenden euro’s.

Ook inwonende volwassen kinderen kunnen hun moeder opzadelen met een grote schuld. Als zij een eigen inkomen hebben, wordt dat inkomen opgeteld bij het bijstandsinkomen van hun moeder voor het berekenen van de huurtoeslag. Die kinderen weten vaak van niets en ook hun moeder dwingt hen niet tot het betalen van huur. Vaak krijgt ze pas een naheffing als de vogel is uitgevlogen en weet ze niet waar ze die naheffing aan heeft te danken.

Tenslotte zorgt de overgang van werk naar bijstand voor veel problemen. Ik krijg vaak vrouwen in mijn kantoor die hun tijdelijke baan hebben verloren en hun kinderen nog wel op de kinderopvang hebben zitten en bovendien nog steeds maandelijks de aanvullende alleenstaande ouderkorting en combinatiekorting uitbetaald krijgen, terwijl ze daar geen recht op hebben als ze geen betaalde arbeid verrichten. Met de lange wachtlijsten voor de crèche en de administratieve chaos rond het aanvragen van kinderopvangtoeslag laat ze de boel liever even bij het oude. Maar ondertussen stort de Belastingdienst al snel 1200 euro per maand op de bankrekening van het kinderdagverblijf voor de kinderopvangtoeslag. Dit moet door de bijstandsmoeder weer terugbetaalt worden als zij geen ander werk vindt. En ook de onterecht ontvangen belastingkortingen zal ze weer terug moeten betalen.

Een bijstandsmoeder ontvangt een uitkering van ongeveer 1100 euro per maand. Maar de onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag, belastingkortingen en toeslagen kunnen op deze manier al snel 1500 euro per maand bedragen. Als je dus weinig Nederlands spreekt, geen verstand hebt van belastingen of geen goede begeleiding hebt, kan een bijstandsmoeder overstelpt worden door schulden. En de Belastingdienst scheldt geen schulden kwijt. Alleen als je bereid bent om in een WSNP-traject drie jaar lang op een weekinkomen van 60 euro te leven (na betaling van de vaste lasten), ben je na drie jaar schuldenvrij.

Het is geen wonder dat de Belastingdienst bijstandsmoeders angst inboezemt. Ik schaam mij voor de chaos, de onbegrijpelijke brieven en de tijdrovende procedures bij de Belastingdienst. Het wordt tijd dat de Belastingdienst meer oog krijgt voor de gevolgen van haar beleid op de mensen aan de onderkant van de samenleving. Als we veel geld stoppen in onderwijs en reïntegratie om mensen omhoog te helpen, kunnen we niet toestaan dat zij door de Belastingdienst opnieuw in de goot worden getrokken.

Uit de bijstand, maar werken onder het minimumloon?

Gepubliceerd op weblog ChristenUnie Amersfoort januari 2010

Afgelopen week schrikte de SP ons op met het bericht dat de gemeente Amersfoort met een pilot van het Ministerie van Sociale Zaken meedeed waarbij bijstandsgerechtigden (met een WWB of WIJ-uitkering) gedwongen werden om onder het minimumloon te werken. Dat klonk niet goed. Had het college dit besloten zonder overleg met de gemeenteraad? Onbeschoft!

Maar uit de stukken in onze raadsbundel werden we niet veel wijzer. De gemeenteraadsleden die op dinsdagavond hierover moesten vergaderen, hadden wallen onder de ogen. We hadden allemaal veel tijd moeten besteden aan onderzoek om uit te vinden wat de pilot inhield. En dat bleek uiteindelijk lang zo schokkend niet als de SP ons wilde laten geloven.

Er is namelijk weinig verschil met deze pilot (‘loondispensatie’) en het geven van loonsubsidie. In beide gevallen hoef de werkgever niet het volledige loon uit te betalen als ze mensen aannemen met een verminderde arbeidsproductiviteit en vult de overheid dit loon aan. Maar bij loonsubsidie wordt het loon altijd aangevuld tot het loon dat behoort bij de functie die wordt vervuld. En bij loondispensatie wordt het loon aangevuld tot een niveau dat ligt tussen het bijstandsinkomen (het vorige inkomen van de werknemer) en het minimuminkomen. Hoe hoger de arbeidsproductiviteit, hoe hoger de inkomsten. Zo is een prikkel ingebouwd voor werknemers om meer te produceren – want harder werken loont – en worden mensen met verminderde arbeidsproductiviteit aantrekkelijker voor werkgevers.

Net als alle andere politieke partijen, zagen wij wel voordelen in deze pilot. De SP stond dus in haar afwijzing alleen. Maar de ChristenUnie stelde wel een paar voorwaarden. In de eerste plaats vonden wij dat ook gehuwden beloond moesten worden. Omdat het niveau van de bijstandsuitkering voor gehuwden gelijk is aan het minimuminkomen, zouden zij er niet op vooruit gaan. Ook niet als ze harder werken. Bovendien heeft de Sociale Dienst er een handje van om belastingkortingen te korten op de uitkering. Als zij arbeidskorting krijgen, mag dat niet teruggevorderd worden door de Sociale Dienst. En dat lijkt gelukkig niet het geval te zijn. De arbeidskorting mogen gehuwden in elk geval in hun zak steken als beloning voor gedane arbeid.

In de tweede plaats vonden we dat mensen met een zorgplicht (mantelzorgers en ouders van jonge kinderen) niet gedwongen mogen worden om fulltime betaalde arbeid te verrichten. De zorg voor hun geliefden gaat voor. Het Werkbedrijf, de Sociale Dienst en de werkgevers zullen ruimte moeten laten om deze zorg goed te kunnen vervullen. Het feit dat de gemeente kan profiteren van inkomsten door hun betaalde arbeid (dan hoeft de gemeente namelijk de bijstand niet meer te betalen) en de kosten van kinderopvang en professionele zorg kunnen afschuiven op het rijk (kinderopvangtoeslag en AWBZ) mag er niet toe leiden dat de waarde van informele zorg niet wordt erkend, maar wordt vervangen door professionele zorg. Helaas kon de wethouder dat niet beloven.